zaterdag 3 december 2011

Belastingheffing over winsten behaald bij buitenlandse pokertoernooien

Op 2 december 2011 is de uitspraak van de belastingrechter in een zaak over de kansspelbelasting van Joost (een bekende pokerspeler) gepubliceerd. Het ging om een prijs gewonnen op een live pokertoernooi buiten Nederland, maar binnen de EU.
Zelf heb ik nooit een dergelijke aanslag ontvangen, maar heb wel jarenlang met vele pokerspelers hierover gesproken. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat een heffing zoals die werd toegepast in strijd was met art. 56 van het Verdrag betreffende de Werking van de EU. Het heeft me altijd erg verbaasd dat iedereen die ik hierover sprak, die een dergelijke aanslag had ontvangen, ervoor koos deze procedure niet te voeren.
Joost heeft dit gelukkig wel gedaan en de Rechtbank is zo duidelijk als maar kan. De relevante overwegingen zijn 4.10 t/m 4.12. Het komt erop neer dat elke regeling die voor een Nederlander maakt dat een pokertoernooi in Nederland spelen aantrekkelijker is dan in een ander EU land een belemmering van het vrije dienstenverkeer is. In sommige gevallen is een belemmering van het vrije dienstenverkeer gerechtvaardigd, voor belasting heffen over pokertoernooien is een dergelijke rechtvaardiging in het EU-recht niet te vinden. De belastingdienst gaat uiteraard in hoger beroep, volgens mij is dit kansloos.
Uiteraard zal de wetgever dit proberen te repareren. Dergelijke wetgeving kan soms terugwerkende kracht hebben. Dan moet het wetsvoorstel wel af zijn, gepubliceerd zijn en er moeten aanmerkelijke aankondigingseffecten zijn. Dit heeft zich bijvoorbeeld een paar maanden geleden voorgedaan bij de legesheffing voor de id-kaart. Voorlopig is er nog geen wetsvoorstel en de aankondigingseffecten zijn naar mijn mening niet te vergelijken met de situatie rond de id-kaart. (Mocht de terugwerkende kracht je interesseren, kun je er bijvoorbeeld hier meer over lezen, m.n. hoofdstuk 4)
Ik maak me wel zorgen over de manier waarop de wetgever dit probleem zal trachten op te lossen. Het antwoord is niet makkelijk. Een nieuwe heffingssystematiek bedenken voor buitenlandse pokertoernooien die niet in strijd is met het vrije verkeer van diensten wanneer de aanbieder binnen de EU gevestigd is, is niet eenvoudig. Het probleem andersom 'oplossen', namelijk de regeling die tot nu toe op buitenlandse toernooien wordt toegepast ook van toepassing verklaren op Nederlandse pokertoernooien, waardoor Holland Casino dus belasting zal gaan inhouden op het prijzengeld. Lijkt ook niet waarschijnlijk. Weinig mensen zouden nog pokertoernooien spelen bij het Holland Casino door de lage uitbetaling en er moet een scheiding worden aangebracht tussen pokertoernooien en andere casinospelen.
Als je eerder een rechtsmiddel hebt aangewend tegen een aanslag en nog in een bezwaar- of beroepsprocedure verwikkeld bent, zal je de gronden uit deze uitspraak nog kunnen inbrengen. Mocht je in de laatste 6 weken een aanslag hebben ontvangen, onmiddellijk bezwaar maken, want als de termijn voor bezwaar is verlopen ben je niet-ontvankelijk, dat betekent dat het bezwaar niet meer inhoudelijk wordt behandeld. Mocht de termijn bijna verlopen zijn, kun je een pro-forma bezwaar indienen en kun je later de rechtsgronden aanvullen, daarmee wordt de termijn gestuit.
Het betoog dat poker geen kansspel is faalt. Het is begrijpelijk dat dit bij de belastingrechter eerder faalt dan bij de strafrechter. Het is verstandig voor Joost om niet op dit onderdeel in hoger beroep te gaan als de belastingdienst zelf geen hoger beroep instelt. Mocht de belastingdienst wel in hoger beroep gaan (dat is wel te verwachten) dan zal Joost ongetwijfeld het oordeel van de Rechtbank op dit punt ook aanvechten.


Hieronder de volledige tekst van de uitspraak:

LJN: BU6574, Rechtbank Haarlem , 11/1112
Datum
uitspraak:
24-11-2011
Datum
publicatie:
02-12-2011
Rechtsgebied: Belasting
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Kansspelbelasting. Poker, in de variant Texas Hold'em, is een kansspel. Het maakt niet
uit of het spel in de vorm van een meerdaags toernooi wordt gespeeld of als
casinospel. Omdat voor in andere lidstaten gespeelde toernooien meer
kansspelbelasting moet worden betaald dan voor binnenlandse toernooien, wordt het
vrije dienstenverkeer binnen de Europese Unie belemmerd. De naheffingsaanslagen
kansspelbelasting worden vernietigd.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Zaaknummers: AWB 11/1112 en 11/1309
Uitspraakdatum: 24 november 2011
Uitspraak in de gedingen tussen
X, wonende te Z, eiser,
gemachtigde: mr. T. Vink,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.
1. Ontstaan en loop van de gedingen
Verweerder heeft aan eiser over de tijdvakken maart en augustus 2010 naheffingsaanslagen
kansspelbelasting opgelegd. Tevens heeft verweerder in beide gevallen een verzuimboete opgelegd van
10%.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 februari 2011 de naheffingsaanslagen en de
verzuimboetes gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken
overgelegd en verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011.
Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn
verschenen mr. T. Enter, mr. T.J.M. Sweet, R. Sluijk en S. Hewitt. De zaken zijn op verzoek van eiser en
met toestemming van verweerder in het openbaar behandeld.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Eiser exploiteert sinds 16 mei 2008 in de vorm van een eenmanszaak een rechtskundig
adviesbureau onder de naam “A”. […].

2.2.1. Eiser heeft op [data] deelgenomen aan een live pokertoernooi in B. Eiser heeft de […] plaats
bereikt en een prijs gewonnen van [bedrag].
2.2.2. Eiser heeft van [data] deelgenomen aan een live pokertoernooi in C. Eiser heeft de […] plaats
bereikt en een prijs gewonnen van [bedrag].
2.2.3. De hiervoor genoemde toernooien behoren tot de D toernooireeks. Op de website van D is onder
andere het volgende vermeld:
“[…]”
Op deze pokertoernooien wordt de variant Texas Hold’em gespeeld met hoge inzetten.
2.3. Voorts heeft eiser deelgenomen aan live pokertoernooien in Nederland, waar hij de volgende
resultaten heeft behaald:
- […];
- […];
- […].
2.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het Spelreglement van Holland Casino. Artikel 10 van
het Spelreglement luidt voor zover van belang als volgt:
“1. Afhankelijk van de pokersoort treedt de vergunninghouder op als bankhouder, speler danwel
verleent hij slechts zijn bemiddeling en ontleent daaraan het recht op een heffing van maximaal 10%
van de totaal gedane inzetten.
(…)
10. De door de vergunninghouder aangeboden pokersoorten zijn:
(…)
b. texas hold’em;
(…)”
3. Geschil en standpunten van partijen
3.1. Primair is in geschil of poker, in de variant Texas Hold’em, een kansspel is in de zin van artikel 2,
eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: Wet KSB), welke vraag verweerder bevestigend
en eiser ontkennend beantwoordt. Subsidiair is in geschil of poker, in de variant Texas Hold’em en
gespeeld tijdens een meerdaags toernooi, een kansspel is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet
KSB, welke vraag verweerder bevestigend en eiser ontkennend beantwoordt. Meer subsidiair is in geschil
of sprake is van strijd met artikel 56 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (hierna:
VwEU).
3.2. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat poker een behendigheidsspel is en daarmee niet kan
kwalificeren als kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en de Wet KSB. Eiser baseert zijn
standpunt met name op de studie van E. Deze heeft een beoordelingsstatistiek ontwikkeld om te
bepalen wat een zuiver kansspel is. Met behulp van een speltheoretisch onderzoek zochten E en zijn
collega, F, […], uit hoe de grens tussen een kans- en een behendigheidsspel kan worden getrokken. In
de resulterende formule betrokken zij de verhouding tussen het toevalseffect (kans) en het leereffect
van een spel (behendigheid), wat leidt tot een bepaalde behendigheidsscore. Poker is volgens deze
formule een behendigheidsspel. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat poker een
behendigheidsspel is wanneer het in de vorm van een meerdaags toernooi wordt gespeeld. Meer
subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de heffing van kansspelbelasting wegens deelname aan
pokertoernooien in andere lidstaten van de Europese Unie voor wat betreft de maatstaf van heffing
strijdig is met artikel 56 van het VwEU. Bij deelname aan een binnenlands pokertoernooi is de maatstaf
van heffing de bruto-opbrengst van de vergunninghouder en niet de uitgekeerde prijs. Het is dus
aantrekkelijker om een prijs te winnen in een binnenlands pokertoernooi georganiseerd door de
vergunninghouder. Op deze wijze worden pokertoernooien in andere lidstaten gediscrimineerd, wat

verboden is. Eiser stelt zich in dit verband op het standpunt dat, indien zijn standpunt juridisch niet juist
is, toch sprake is van strijd met artikel 56 van het VwEU omdat de vergunninghouder in de praktijk een
andere handelwijze volgt, namelijk voldoening van kansspelbelasting over de bruto-opbrengst.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en
vernietiging van de naheffingsaanslagen.
3.3. Verweerder beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1998, nr. 106628E, NJ
1999/59, waarin de Hoge Raad met betrekking tot de Wet op de kansspelen heeft geoordeeld dat het
pokerspel in al zijn varianten is aan te merken als een kansspel. Dit wordt afgeleid uit de spelregels. Een
leerproces ten aanzien van het spel zal bij de meerderheid der spelers doorgaans niet leiden tot een
overwegende invloed op het resultaat. Dat dit arrest ook betekenis heeft voor de Wet KSB blijkt uit de
wetsgeschiedenis, waarin is aangegeven dat de definities van het begrip kansspel in beide wetten op
elkaar aansluiten. Dit komt tot uitdrukking in het Golden Ten-arrest (BNB 1991/334). Voorts stelt
verweerder zich op het standpunt dat geen strijd bestaat met artikel 56 van het VwEU. De
vergunninghouder is ter zake van het aanbieden van poker in de variant Texas Hold’em in de vorm van
een (meerdaags) toernooi onder de dezelfde omstandigheden (namelijk dat hij niet als speler of als bank
fungeert maar uitsluitend als facilitator) verplicht kansspelbelasting in te houden over de prijzen.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank voorts naar de gedingstukken en naar het
aangehechte proces-verbaal.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. De Wet KSB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 1
1. Onder de naam 'kansspelbelasting' wordt een directe belasting geheven van:
a. degene die gelegenheid geeft tot deelname aan binnenlandse casinospelen alsmede de exploitant van
een in Nederland geplaatste fysieke speelautomaat, ingericht voor de beoefening van een kansspel, dat
bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij
het resultaat kan leiden tot rechtstreekse of niet-rechtstreekse uitkering van prijzen, met inbegrip van
extra speelduur (kansspelautomatenspel);
b. degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse kansspelen welke via het internet
worden gespeeld;
c. de gerechtigden tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet zijnde casinospelen,
kansspelautomatenspelen of kansspelen welke via het internet worden gespeeld;
d. de in Nederland wonende of gevestigde gerechtigden tot de prijzen van buitenlandse kansspelen, niet
zijnde kansspelen welke via het internet worden gespeeld;
(…)
Artikel 2
1. Onder kansspelen worden verstaan gelegenheden, gegeven tot mededinging naar:
a. prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de
deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, met uitzondering van
levensverzekeringen en premieleningen;
b. prijzen en premies, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers aan een prijsvraag van welke aard ook,
tenzij een wetenschappelijke of kunstzinnige prestatie wordt gevorderd, dan wel een prestatie waarmee
het algemeen maatschappelijk belang wordt gediend.
Artikel 3
1. De belasting wordt geheven:
a. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, naar het verschil tussen
de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, dan wel, zo een ander dan
de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor
het geven van gelegenheid tot deelneming aan casinospelen of tot deelneming aan binnenlandse
kansspelen welke via het internet worden gespeeld;

b. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d, van toepassing is, naar de prijzen;
c. (…)
Artikel 6
1. In de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van toepassing is, wordt de belasting geheven
door inhouding op de prijs.
2. Inhoudingsplichtige is degene die de prijs verschuldigd is.”
4.2. Uit artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB volgt dat onder een kansspel moet worden
verstaan het gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen, indien de aanwijzing der winnaars
geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed
kunnen uitoefenen. Volgens vaste jurisprudentie is voor de vraag of sprake is van een overwegende
invloed op de kansbepaling in vorenbedoelde zin beslissend welke resultaten de grote meerderheid van
de spelers in de praktijk bij het spel behaalt, of ook wel hoe de grote meerderheid van de spelers het spel
in de praktijk speelt (zie o.a. HR 21 december 1965, NJ 1966, 364; HR 2 april 1985, NJ 1985, 739; HR
25 juni 1999, NJ 1991, 808 en HR 25 september 1991, VN 1991, 3011 resp. BNB 1991, 334).
4.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 maart 1998, NJ 1999/95, in een vergelijkbare zaak, de
uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Hof) van 23 december 1996 bevestigd. In
cassatie was aangevoerd dat het Hof door te oordelen dat aan het begrip ‘kansspel’, zoals opgenomen in
de tenlastelegging en bewezenverklaring, dezelfde betekenis toekomt als die de Wet op de kansspelen
daaraan toekent, een onjuiste betekenis aan dit begrip heeft gehecht althans ontoereikend heeft
gemotiveerd waarom daaraan de door het Hof voorgestane uitleg zou toekomen. In punt 4.3.2 heeft de
Hoge Raad ten aanzien van dit cassatiemiddel overwogen dat het oordeel van het Hof dat het
tenlastegelegde bewezen is geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in de
tenlastelegging en bewezenverklaring gebezigde begrip ‘kansspel’. De Hoge Raad heeft onder 4.1 en
4.2.3 geoordeeld dat de rechter tot bewijs van het feit kan komen op grond van verklaringen van
verdachten, getuigen en deskundigen over de spelen en de wijze waarop deze in het algemeen in de
praktijk plegen te worden gespeeld.
4.4. Onder de bewijsoverweging legt het Hof uit dat uit de spelregels van (de onderhavige varianten
van) poker volgt, dat (telkens) sprake is van een het spel bepalende toevalsgenerator. Een gedeelte van
de na het schudden van de kaarten in het spel gebrachte kaarten blijft immers bij alle varianten
gedurende het gehele verloop van het spel gesloten. Ook weten de deelnemers aan het pokerspel niet
van elkaar welke kaarten een ieder van hen in handen heeft. In zoverre vloeit uit de spelregels reeds
voort dat bij (deze varianten van) het pokerspel sprake is van een vorm van kansbepaling waarop de
deelnemers geen invloed kunnen uitoefenen. Hiervan uitgaande moet volgens het Hof aan (de
onderhavige varianten van) het pokerspel slechts dan het karakter van kansspel worden ontzegd, indien
de (meerderheid van de) deelnemers op het resultaat een zodanige invloed (kan) kunnen uitoefenen dat
de als gevolg van de aanwezigheid van de toevalsgenerator gegeven kansbepaling in belangrijke mate
door kansberekening of anderszins tenietgedaan wordt. Volgens de Hoge Raad (punt 4.2.3) heeft het
Hof deze zinsnede klaarblijkelijk opgevat als een aanduiding van de wijze waarop de in de tenlastelegging
omschreven kaartspelen plegen te worden gespeeld met als gevolg dat de deelnemers op de
winstkansen daarvan in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. De uitleg is niet
onbegrijpelijk en geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.
4.5. Niet gesteld en niet is gebleken dat de spelregels zoals deze hierboven onder 4.4 door het Hof zijn
beschreven niet zouden gelden voor de variant Texas Hold’em. Daarvan uitgaande moet aan deze
variant van het pokerspel slechts dan het karakter van kansspel worden ontzegd, indien de
(meerderheid van de) deelnemers op het resultaat een zodanige invloed (kan) kunnen uitoefenen dat
als gevolg daarvan de toevalsgenerator in belangrijke mate door kansberekening of anderszins
tenietgedaan wordt. De Hoge Raad geeft in punt 4.1 aan dat dit bewijs geleverd kan worden op basis
van verklaringen van spelorganisatoren, getuigen en deskundigen over de spelen en de wijze waarop
deze in de praktijk plegen te worden gespeeld. De rechtbank sluit zich aan bij de opvatting van het Hof
in zijn onder 5.4 genoemde uitspraak die onder de bewijsoverweging omtrent dit punt het volgende
heeft overwogen:
“Uit hetgeen [E] daaromtrent in zijn rapport bericht, kan slechts worden

afgeleid dat in relatie tot beginnende spelers een regelmatig spelende speler enig hoger
behendigheidsniveau kan bereiken. Niet kan uit dat deskundigenbericht worden afgeleid dat
daardoor de als gevolg van de aanwezigheid van een toevalsgenerator inherent aan het spel
gegeven kansbepaling haar overwegende invloed heeft verloren. Niet aannemelijk is geworden
dat de meerderheid der spelers haar kansen op winst in die mate kan beïnvloeden dat aan het
pokerspel het karakter van kansspel moet worden ontzegd. Daarbij verdient aantekening dat de
eventuele aan te leren behendigheid bij het pokeren tegenover de centrale toevalsgenerator,
door de spelregels in beginsel gegeven, aan betekenis weer inboet indien de deelnemers aan
het pokerspel een gelijkwaardig behendigheidsniveau hebben bereikt. De enkele omstandigheid
dat het pokerspel ook bij wijze van toernooi wordt gespeeld, maakt het vorenstaande niet
anders.”
Hieruit volgt dat het de variant Texas Hold’em een kansspel is waarop de Wet KSB van toepassing is. Het
andersluidende primaire standpunt van eiser faalt.
4.6. Uit het hiervoor onder 4.5 geciteerde volgt dat de eventuele aan te leren behendigheid bij het
pokeren aan betekenis weer inboet indien de deelnemers aan het pokerspel een gelijkwaardig
behendigheidsniveau hebben bereikt. De bepalende factor vormt derhalve ook onder louter behendige
deelnemers, de toevalsgenerator. Anders dan eiser kennelijk voorstaat, maakt het geen verschil dat aan
de (meerdaagse) pokertoernooien die hij bezoekt, spelers deelnemen die meer behendigheid en ervaring
hebben dan gemiddeld. De spelers blijven voor hun succes grotendeels afhankelijk van de
toevalsgenerator, het delen van de kaarten. De onderzoeken die eiser heeft ingebracht met de uitkomst
dat spelers met meer ervaring en een agressieve spelstrategie een grotere kans hebben om een toernooi
te winnen naarmate meer rondes worden gespeeld, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Deze
onderzoeken, die uitgaan van een puur theoretische spelbenadering, gaan namelijk voorbij aan het
onder 4.2 beschreven uitgangspunt dat van belang is hoe de grote meerderheid van de spelers het spel
in de praktijk speelt. Het subsidiaire standpunt van eiser dat Texas Hold’em een behendigheidsspel is
indien het wordt gespeeld in de vorm van een meerdaags toernooi, kan dan ook niet worden gevolgd.
4.7. Meer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de heffing van kansspelbelasting in strijd is met
artikel 56 van het VwEU. De maatstaf van heffing voor binnenlandse kansspelen is immers lager dan die
voor buitenlandse kansspelen. Het is dus aantrekkelijker om aan binnenlandse kansspelen deel te
nemen, aldus eiser. Dit levert een belemmering op van het vrije dienstenverkeer en is dus verboden. Uit
ervaring is eiser gebleken dat de vergunninghouder ter zake van de organisatie van een pokertoernooi
geen kansspelbelasting inhoudt over de prijzen. Verweerder bestrijdt dit standpunt. Artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet KSB is bedoeld als praktische oplossing om moeilijkheden bij de berekening van
de maatstaf van heffing te voorkomen. Het speelcasino, dat normaliter fiches gebruikt die aan het begin
van de speelavond worden verkocht aan de spelers en aan het einde van de speelavond door de speler
tegen geld worden ingeleverd, kan de per spel ontvangen prijs niet gemakkelijk berekenen. Indien de
vergunninghouder een pokertoernooi organiseert zonder als speler of bank op te treden, doet deze
moeilijkheid zich niet voor en is de maatstaf van heffing de prijs. Het is dan immers heel wel mogelijk
om voor iedere winnaar de prijs te bepalen en de kansspelbelasting daarop in te houden op grond van
artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet KSB. Er bestaat dus geen verschil in maatstaf van heffing
tussen in het binnenland en in het buitenland georganiseerde pokertoernooien waar de organisator niet
de inzetten ontvangt noch de prijzen ter beschikking stelt. In beide gevallen is de maatstaf van heffing
op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet KSB de prijs. Verweerder bestrijdt dat hij de
vergunninghouder toestaat om in de praktijk te handelen zoals eiser beschrijft.
4.8. Uit het onder 2.4 geciteerde deel van artikel 10 van het Spelreglement van Holland Casino kan
worden afgeleid dat Texas Hold’em een casinospel is en dat niet van belang is of Holland Casino daarbij
als bankhouder, speler of organisator optreedt. Hieruit volgt dat de maatstaf van heffing van een
meerdaags pokertoernooi in de variant Texas Hold’em wordt vastgesteld op grond van artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet KSB. Dat, zoals verweerder stelt, Holland Casino artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet KSB niet zou mogen toepassen op een meerdaags pokertoernooi waarbij
Holland Casino slechts als bemiddelaar of organisator optreedt, volgt niet uit genoemd artikel. De
zinsnede “dan wel, zo een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen
in een tijdvak ontvangen wordt voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan casinospelen” wijst
in de tegengestelde richting. Uit deze zinsnede volgt immers dat indien Holland Casino uitsluitend een

vergoeding ontvangt voor de organisatie van een meerdaags pokertoernooi, de maatstaf van heffing
slechts uit deze vergoeding bestaat.
4.9. Uit artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB, waarnaar artikel 3, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet KSB verwijst, kan worden afgeleid dat laatstgenoemde bepaling uitsluitend van toepassing is
op binnenlandse casinospelen. Voor buitenlandse casinospelen geldt de maatstaf van heffing die is
neergelegd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet KSB, namelijk de prijzen. Eiser heeft de vraag
opgeworpen of dit onderscheid in maatstaf van heffing het dienstenverkeer binnen de Europese Unie
belemmert en dus in strijd is met artikel 56 van het VwEU. In dit verband zal de rechtbank eerst
beoordelen of sprake is van belemmering van het dienstenverkeer.
4.10. Uit de bepalingen rond de maatstaf van heffing vloeit voort dat in Nederland wonende deelnemers
aan een buitenlands casinospel bij terugkomst in Nederland kansspelbelasting moeten voldoen over de
gewonnen prijzen. In Nederland wonende deelnemers aan een binnenlands casinospel hoeven geen
kansspelbelasting te voldoen. In plaats daarvan is degene die gelegenheid heeft gegeven tot deelname
aan het casinospel verplicht kansspelbelasting te voldoen over het verschil tussen de in een tijdvak
ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen dan wel, zo een ander dan de
belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor het
geven van gelegenheid tot deelneming aan casinospelen. Het bedrag aan kansspelbelasting dat op grond
van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB verschuldigd is zal, omgeslagen naar de individuele
prijzen, altijd lager zijn dan het bedrag aan kansspelbelasting dat is berekend over de prijzen. De
rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene tot de conclusie dat bij deelname aan een
buitenlands casinospel door een in Nederland wonende of gevestigde gerechtigde tot de prijzen van
buitenlandse kansspelen meer kansspelbelasting verschuldigd is dan bij deelname aan een binnenlands
casinospel. Dit, in combinatie met de administratieve verplichtingen die aan prijswinnaars in een
buitenlands casinospel zijn opgelegd, maakt deelname aan een buitenlands casinospel minder
aantrekkelijk voor in Nederland wonende of gevestigde spelers. Deze nadelen, die direct verband houden
met overschrijding van de grens door de speler in verband met de afname van diensten die door een
buitenlands speelcasino worden aangeboden, belemmeren het vrije dienstenverkeer en leveren naar het
oordeel van de rechtbank in beginsel een schending op van artikel 56 van het VwEU. Immers
vastgesteld moet worden, dat de onderhavige regeling van de Wet KSB een ongunstiger
belastingregeling bevat voor in Nederland wonende of gevestigde deelnemers aan casinospelen in andere
lidstaten dan voor deelnemers aan casinospelen in Nederland (vergelijk het arrest van het Hof van
Justitie van de EU in de zaak Commissie-Frankrijk in de zaak C-381/93)
4.11. Verweerder heeft voor de geconstateerde belemmering geen objectieve rechtvaardigingsgrond
aangevoerd. Indien en voor zover hetgeen verweerder heeft aangevoerd over de achtergrond van artikel
3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB als rechtvaardigingsgrond dient te worden aangemerkt,
overweegt de rechtbank het volgende. Praktische moeilijkheden, zoals die door verweerder zijn
geschetst, kunnen geen objectieve rechtvaardiging vormen voor een schending van het vrije
dienstenverkeer. Het is bovendien mogelijk om binnenlandse casinospelen die in een (meerdaagse)
toernooivorm worden georganiseerd, uit te sluiten van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB
en deze te brengen onder artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet KSB.
4.12. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een belemmering van het vrije dienstenverkeer
waarvoor geen – geldige – rechtvaardigingsgrond is aangevoerd, dient om de belemmering weg te
nemen de maatstaf van heffing te worden vastgesteld in overeenstemming met die voor binnenlandse
casinospelen. In dit geval stuit toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB echter
af op diverse problemen. De rechtbank ziet niet in hoe de maatstaf van heffing voor de berekening van
de door eiser verschuldigde kansspelbelasting op een dusdanige wijze kan worden vastgesteld, dat de
belemmering – althans financieel – wordt weggenomen. Partijen zullen immers niet over de gegevens
beschikken die nodig zijn om de maatstaf van heffing vast te stellen op grond van laatstgenoemde
bepaling. In dit verband speelt een rol dat de belangrijkste gegevens uitsluitend ter beschikking staan
van de organisator van de toernooien waaraan eiser heeft deelgenomen. Bovendien is het, zelfs indien
de nodige gegevens ter beschikking staan, lastig te bepalen hoe de maatstaf van heffing dient te worden
toegerekend aan de individuele prijzen. Niet alle prijswinnaars wonen in Nederland, hetgeen betekent
dat niet het gehele bedrag in Nederland aan kansspelbelasting onderworpen is.

4.13. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in goede justitie een maatstaf van heffing vast te stellen
die recht doet aan de bedoeling van de wetgever en de geconstateerde belemmering wegneemt. De
rechtbank is van oordeel dat het indachtig de leer van de machtenscheiding aan de wetgever is om in de
geconstateerde lacune te voorzien.
4.14. Aangezien de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, dienen de verzuimboetes te worden
vernietigd.
4.15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de
behande¬ling van de beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van
het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
vastgesteld op ! 437 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van ! 437 en
een wegingsfactor 1). Overige kosten zijn gesteld noch gebleken.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen en de verzuimboetes;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van ! 437;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van ! 41 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. C.J. Hummel,
rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar
uitgesproken op 24 november 2011.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in
geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij
het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten